|
Geacht College,
Schriftelijke vragen conform Art. 44 van het Reglement van Orde van het Statenlid Johan Robesin over proeven met overslagdijken (vervolg op Art. 44-vragen dd. 28 oktober 2008). Uitspraak dat dijken met op het binnentalud een kleilaag met grasmat een extra veiligheidsmarge hebben, schept onduidelijk-heid en geeft daarmee een gevoel van onveiligheid.
Toelichting Op onze vraag:"Kent uw College de negatieve uitkomst van proeven met overslaand water op locaties in Sint Philipsland en Kattendijke?", stelt uw College het volgende:"Ons College kent de uitkomst van de overslagproeven bij Sint Philipsland en Kattendijke. Die uitkomst wordt echter niet negatief beoordeeld, maar juist positief. Het is algemeen bekend dat, in voorkomende gevallen, dijken meestal bezwijken door afkalving van het binnentalud door overslaand water. Dijken met op het binnentalud een kleilaag met grasmat worden daarom zo ontworpen dat bij de gestelde veiligheidsnorm geen overslag plaatsvindt. In Zeeland is die norm een stormvloed die eens in de vierduizend jaar voorkomt. De bestendigheid van de grasmat tegen overslag kan dus beschouwd worden als een extra veiligheidsmarge in uitzonderlijke situaties. Uit de proeven is nu gebleken dat die grasmat aanzienlijk beter bestand is tegen overslaand water dan tot nu toe werd aangenomen. Dat betekent dus een nog hogere veiligheidsmarge bovenop de wettelijke veiligheidsnorm".
Samengevat: uw College ziet in het resultaat van de veiligheidsproef en het advies van de Deltacommissie (conventionele solide primaire waterkeringen) geen aanleiding om experimenten met kustveiligheid in combinatie met natuur, stop te zetten. Er is volgens de zienswijze van uw College geen verband tussen de uitkomst van de overslagproef en de combinatie van kustveiligheid met natuur. De overslagbestendigheid van de bekleding van het binnentalud levert naar de opvatting van uw College juist een extra veiligheids-marge bovenop de wettelijke norm van één vierduizendste per jaar.
Onze fractie vindt dat een foute interpretatie, die onduidelijkheid schept en een gevoel van onveiligheid geeft bij het Zeeuwse publiek.
Een actueel voorbeeld is de volgende situatie. Ter hoogte van Nieuwvliet-Bad (herdijkte Zwarte Polder) bevindt zich een dijk die niet voldoet aan de eisen m.b.t. Deltahoogte; uit voorgelegde kustversterkingsplannen blijkt tevens dat bij de aanpak van deze "Zwakke Schakel", de betreffende dijk ook niet op Deltahoogte zal worden gebracht. Ter plaatse is men slechts voornemens om 45 meter strand op te puiten en krijgen we ontegenzeggelijk te maken met een "overslagdijk".
Vragen
- Waarop baseert uw College dan de uitspraak dat dijken op het binnentalud een kleilaag met grasmat daarom zo worden ontworpen dat bij de gestelde veiligheidsnorm (een stormvloed die eens in de vierduizend jaar voorkomt) geen overslag plaatsvindt en dat het dus nog een hogere veiligheidsmarge bovenop de wettelijke veiligheidsnorm betekent?
- Uw College vermeldt in de beantwoording van onze vorige vragen dat het algemeen bekend is dat - in voorkomende gevallen - dijken meestal bezwijken door afkalving van het binnentalud door overslaand water. Acht uw College, in het licht van uw eigen uitspraken en onze bovenvermelde bevindingen, de toepassing van het concept van overslagdijken nog steeds verantwoord?
Proeven met overslagdijken vindt onze fractie prima, maar wel uitsluitend om die te gebruiken ten behoeve van inpolderingen met een natuurdoel. Wanneer wij in de Voordelta of de Westerschelde natuureilanden zouden willen aanleggen, kan dit een uitstekende en prijsbewuste oplossing zijn. Voor bebouwde en bewoonde gebieden is het in onze optiek een ongewenste keuze.
In afwachting van uw beantwoording, verblijven wij, Hoogachtend, Statenfractie Partij voor Zeeland (PvZ), Johan Robesin te Hoek, voorzitter
|