Klimaatfraude.info
|
Klimaat Fraude
|
Fraude in hedendaags klimaatonderzoek en de informatieverstrekking, de mislukte voorspellingen van het IPCC. Ontdek de wetenschappelijke feiten die AGW tegenspreken.
|
-
Voorspellingen zeespiegelstijging kunnen in de prullenbak
Een publicatie van TU Delft toont aan dat hypermoderne satellietmetingen niets toevoegen zolang men niet volledig begrijpt welke processen moeder Aarde drijven. De ijskappen smelten twee maal zo langzaam als gedacht.
# IJskappen op Groenland en West-Antarctica smelten lang niet zo hard als gedacht Het afsmelten van de ijskappen van Groenland en West-Antarctica gaat ongeveer tweemaal zo langzaam als werd gedacht. Dit blijkt uit onderzoek van de TU Delft, SRON en het Jet Propulsion Laboratory. De wetenschappers publiceren hierover in het septembernummer van Nature Geoscience.
Het afsmelten van de ijskappen wordt sinds 2002 in kaart gebracht met metingen van de twee GRACE-satellieten. Deze detecteren vanuit de ruimte kleine veranderingen in het zwaartekrachtveld van de aarde. Deze veranderingen hangen samen met de precieze verdeling van de massa op aarde, waaronder ijs en water. Als ijs smelt en in zee terechtkomt, heeft dit dus invloed op het zwaartekrachtveld.
Op basis van dit principe kwamen eerdere schattingen voor de Groenlandse ijskap uit op 230 gigaton ijs per jaar dat smelt (dat is 230.000 miljard kilo). Dat resulteert vervolgens in een gemiddelde mondiale zeespiegelstijging van ongeveer 0,75 mm per jaar. Voor West-Antarctica bedroeg de schatting 132 gigaton per jaar. Bij deze resultaten blijkt nu echter niet goed gecorrigeerd te zijn voor glacial isostatic adjustment, het fenomeen dat de aardkorst nog steeds opveert ten gevolge van het afsmelten van de grote ijskappen van de laatste grote IJstijd, zo’n 20.000 jaar geleden. Deze bewegingen van de aardkorst moet je meenemen in de berekeningen want deze verticale bewegingen veranderen de massaverdeling van de aarde en dus hebben ze ook invloed op het zwaartekrachtveld.

Onderzoekers van de TU Delft hebben de benodigde correctie nu, veel nauwkeuriger weten uit voeren. Ze deden dit met gecombineerde gegevens van de GRACE-missie, GPS-metingen op het land en oceaanbodemdruk-data. Hieruit blijkt bijvoorbeeld dat de bodem onder Groenland daalt, wat wellicht een aanwijzing kan zijn voor meer massa in het verleden. Bert Vermeersen van de TU Delft: 'De correcties voor de deformaties van de aardkorst, hebben behoorlijke gevolgen voor de geschatte hoeveelheid ijs die jaarlijks smelt. We concluderen dat de smelt van de ijskappen op Groenland en West-Antarctica ongeveer twee maal zo langzaam gaat, als eerst werd gedacht.' Ook de bijbehorende gemiddelde zeespiegelstijging door het smelten van de ijskappen, ligt lager.
Vooral voor Groenland vinden we een glacial isostatic adjustment model dat tamelijk sterk afwijkt van wat gewoonlijk wordt aangenomen. Maar er zijn momenteel te weinig data beschikbaar om dit onafhankelijk te verifiëren. ###Einde Groenland en Antarctica stonden dus samen genoteerd voor 1,18 mm/jaar. Dit blijkt nu dus 0,39 mm/jaar te worden, oftewel 4 cm zeespiegelstijging voor de komende 100 jaar. Tijd om de geldverslindende plannen van de Deltacommissie snel aan te passen. Overigens stonden de ramingen voor Groenland al ter discussie, een studie die ik vorig jaar beschreef in De Groenlandse ijsmassa is groter en groeit nog steeds toonde aan dat er gewoon ijsgroei plaatsvindt.
- Ga naar hoofdpagina Klimaatfraude
-
Snelle klimaatveranderingen zijn niet te voorspellen
Het Niels Bohr instituut komt met een stuk over onderzoek naar de oorzaak van vele onverklaarbare en snelle temperatuursveranderingen gedurende de laatste ijstijd. Let wel, het onderzoek heeft betrekking op veranderingen in het verleden en doet geen klimaatvoorspellingen.
### De angst dat de globale temperatuur snel kan veranderen en dramatische klimaatverandering (het alarmistische tipping point) kan veroorzaken is wereldwijd groot. Nieuw onderzoek toont aan dat dit zou kunnen door een opeenstapeling van verschillende chaotische invloeden, maar hierdoor moeilijk te voorspellen is.
Gedurende miljoenen jaren wisselde het klimaat tussen 100.000 jarige glacialen (ijstijd) en interglacialen van 10-15.000 jaar met hogere temperaturen zoals nu. Deze klimaatveranderingen ontstaan door veranderingen in de baan van de aarde om de zon en de stand van de aardas. Maar er zijn ook nog andere klimaatveranderingen geweest, maar wat was hier de oorzaak van?
Door analyse van ijsboorkernen op Groenland zijn de temperaturen van de laatste 140.000 jaar gevonden.
De meest duidelijke klimaatverschuiving naast het einde van de laatste ijstijd zijn een serie klimaatveranderingen tijdens de ijstijd waarin de temperatuur plotseling 10 tot 15 graden steeg in minder dan 10 jaar. Deze verandering duurde soms tot 1000 jaar en daarna stortte de temperatuur ineens weer naar beneden. Dit gebeurde verscheidene malen (ca. 25 keer) tijdens de ijstijd en worden Dansgaard-Oeschger events genoemd naar de ontdekkers ervan. Een dergelijke dramatische verandering van de ene in de andere fase noemt men een tipping point. Echter de reden van deze veranderingen is niet bekend en onderzoekers zijn er niet in geslaagd om ze in klimaatmodellen te reproduceren. "We hebben een theoretisch model gemaakt met twee scenarios die zo'n klimaatverandering zouden kunnen veroorzaken. We wilden onderzoeken of we vast konden stellen of er een externe factor was die de verandering veroorzaakt of dat het kwam door opeenstapeling van kleine chaotische fluctuaties" zegt Peter Ditlevsen.
Hij legt uit dat in het eerste geval het klimaat als een hellende golf is voor te stellen. Als er voldoende gewicht aan één kant ligt zal het klimaat in de andere fase rollen. Dit zou bijvoorbeeld verhoogd CO2 kunnen zijn.
 In het tweede geval is het klimaat voor te stellen als een bal in een dal. De bal wordt voortdurend heen en weer geduwd door chaotisch-dynamische fluctuaties zoals stormen, hittegolven, zware regenval en afsmelten van ijs etc. Deze factoren kunnen gezamelijk op een onbepaald moment het klimaat ineens over de heuvel in de andere fase duwen.
Het onderzoek van Peter Ditlevsen toonde aan dat je inderdaad verschil kunt vinden tussen beide scenarios, en het is gebleken dat de chaotisch-dynamische fluctuaties de snelle klimaatveranderingen veroorzaakt hebben. Dit betekent dus dat deze veranderingen heel moeilijk te voorspellen zijn. ################# einde
Het meest interessante deel in het stuk zijn de Dansgaard-Oeschger events die gemiddeld om de 1472 jaar plaats vinden. Tijdens de laatste ijstijd die ca. 100.000 jaar duurde zijn er ongeveer 25 van deze events gevonden (hoewel er meer hebben plaats gevonden) waarbij de temperatuur ineens enorm snel omhoog schoot met soms 15 graden, en sneller dan de huidige AGW. De oorzaak ervan is niet bekend, maar de beste kandidaten zijn de oceaanstromingen en de zon.
Deze events wil een groot deel van de klimatologie liever niets over horen, omdat deze veelvuldige, cyclische en snelle klimaatveranderingen het voorgeschotelde dogma ondermijnen dat klimaat stabiel hoort te zijn en een verandering abnormaal is. Maar we zien hier dus weer duidelijk wat ik al vaker aangehaald heb: klimaat verandert altijd en de veranderingen zijn cyclisch. Het heeft eigenlijk niet eens nut om over klimaatverandering te spreken want klimaat is verandering. Hieronderis een overzicht van de temperaturen op Groenland over de laatste 100.000 jaar, en zien we hoe wild de temperatuur in werkelijkheid continu heen en weer schiet. In het begin zien we zelfs fluctuaties van maar liefst 20 graden.
Maar nu over de 'chaotische fluctuaties' in het verhaal. De voorstelling van Ditlevsen is te kort door de bocht. Het doet voorkomen dat de bal chaotisch in een dal beweegt totdat ze in het ander dal gestoten wordt en daarna hierin verblijft. Het natuurkundige verschijnsel waar het hier om gaat is 'deterministische chaos', een eenvoudige grafische voorstelling van deze chaos is het volgende. De vlinder van Edward Lorenz. Het chaotisch dynamische systeem herbergt wel een zeker patroon waarbij het afwisselend tussen twee onderscheidbare evenwichtspunten beweegt (zie bifurcatie), alhoewel de exacte positie niet bekend is en het systeem nooit in exact dezelfde positie terug keert. Dit betekent dat het systeem dus altijd van het ene naar de andere evenwichtspunt ( het dal van Ditlevsen) beweegt ook al verandert er niets in de parameters. Bij verandering van de parameters verschuiven de evenwichtspunten.
De voorstelling van de hellende golf geeft de verkeerde indruk dat het systeem daarna vast blijft zitten in het laagste dal, maar dit is dus niet zo. Het systeem keert altijd weer terug naar het andere evenwichtspunt.
Het alarmistische scenario van onomkeerbare tipping points is dus fysisch gezien grote onzin. Door verandering van de parameter [CO2] zou het evenwichtspunt kunnen verschuiven, maar niemand weet hoe, wanneer en in welke richting. Je weet dus niet of het systeem daardoor eerder overgaat naar het andere evenwichtspunt waar het anders toch ook terecht zal komen, en uiteindelijk zal het systeem altijd weer terug keren.
Zie ook Toekomst van het klimaat ligt in deterministische chaos besloten
- Ga naar hoofdpagina Klimaatfraude
-
Mann's hockeystick faalt na nieuwe statistische analyse
De beruchte hockeystick van Michael Mann blijkt na een analyse van statistici McShane en Wyner totaal geen significante waarde te hebben. Al eerder werd de hockeystick onderuit gehaald door McIntyre en McKitrick op basis van de gebruikte methode en vorig jaar nogmaals vanwege de beperkte en geselecteerde data.
McShane en Wyner hebben de eerder genoemde mankementen echter genegeerd en de data als zijnde juist beschouwd, maar komen zelfs dan nog tot de conclusie dat basis voor de hockeystickstatistisch gezien te veel onzekerheden bevat om een zinvolle betekenis te hebben.
Laten we eerst nog eens kijken naar de hockeystick
 Het blauwe gedeelte is afgeleid middels analyse van voornamelijk boomringen, slechts het laatste rode stuk betreft werkelijk gemeten temperaturen met thermometers. Maar het is belangrijk om te weten dat de grijze zone er omheen de onzekerheid van de temperatuurbepaling is. Het IPCC zegt in haar rapport zelf dat de onzekerheid verder in het verleden toeneemt, en dat het slechts waarschijnlijk is dat de jaren negentig het warmst waren.
Het is dus de vraag of de eerste negenhonderd jaar in de grafiek op relatief hetzelfde niveau weergegeven moet worden. Vanwege de onzekerheden kan men net zo goed een lijn weergeven die hevig fluctueert tussen +0,3 C en -0,7 C en soms nog meer. Dit doet niets af aan de gemeten waarde van de laatste 100 jaar, maar het geeft wel een totaal andere perceptie.
Dat men de blauwe lijn dusdanig heeft weergegeven komt omdat men het gewogen gemiddelde van de proxies wereldwijd heeft samengesteld. Dus als men voor een bepaald jaar +0,6, -0,7, -0,6 en +0,3 heeft gevonden zet men gewoon -0,1 C in de grafiek. De kans is groot dat je zo altijd ergens in het midden terecht komt.
Verder lijken de proxies betrouwbaar omdat de rode gemeten waarden zo mooi gelijk lopen met de blauwe proxies. Maar schijn bedriegt, een proxy zoals een boomring geeft geen temperatuur die je kunt meten. De dikte van de ringen wordt geacht verband te houden met een temperatuur, maar welke temperatuur is dat? De methode is dusdanig dat de rode lijn van gemeten temperaturen gebruikt zijn als ijkpunten voor de temperaturen die bij de proxies zouden moeten horen, en dan volgt pas daarna de kennis omtrent de blauwe lijn van de proxies en die zal aldus vrijwel met de rode overeen moeten komen anders is de koppeling niet juist.
En kijk nog eens waar de blauwe lijn eindigt, de laatste 30 jaar zijn er geen proxies meer gebruikt. Boomring data bleek vanaf hier op lagere temperaturen te duiden in plaats van hogere, en kwam dus totaal niet overeen met de thermometer data. De oplossing was simpel; gewoon negeren.
Voor de meeste mensen zal de connectie tussen de blauwe en rode lijn de onjuiste indruk geven dat de boomringmethode en een thermometer perfect met elkaar overeenkomen.
Een ander probleem is dat de thermometer van de laatste dertig jaar het meest betrouwbaar is, maar dat de onnauwkeurigheid van de instrumenten verder terug in de vorige eeuw verder toeneemt.
McShane en Wyner bevestigen nogmaals dat de ongebruikelijke wijze waarop Mann met de proxy data omging altijd een grafiek in de vorm van een hockeystick oplevert. Dit is conform de eerdere conclusie van McIntyre en McKitrick. Als de data op juiste wijze gebruikt wordt vinden zij het volgende.
Een heel ander beeld kunnen we stellen, zeker als je kijkt naar de band van de onzekerheden.
Blogger William Briggs laat zien dat gezien de band van onzekerheid er zoveel mogelijkheden bestaan dat het net zo goed mogelijk is dat de temperatuur de laatste duizend jaar continu hetzelfde is gebleven.
De zere plek in klimaatland ligt bij het feit hoe makkelijk klimatologen voorbij gaan aan de onzekerheid en betrouwbaarheid van hun data. Alhoewel volgens klimatologen 1998 het warmste jaar in de boeken is, stellen Mcshane en Wyner dat dit slechts voor 36% zeker is binnen de laatste duizend jaar. Als de laatste duizend jaar in blokken van dertig jaar worden opgedeeld, is de zekerheid dat de laatste dertig jaar het warmst waren slechts 38%.
De conclusie van McShane en Wyner zegt genoeg.
Er is te weinig onafhakelijke proxy data om de temperaturen van de laatste duizend jaar met meer zekerheid vast te kunnen stellen. Klimatologen hebben de onzekerheden van de data enorm onderschat en hebben daarom te veel vertrouwen in hun modellen.
De natuurlijke variatie is niet bekend maar waarschijnlijk behoorlijk groot. Het is niet duidelijk of de proxies die gebruikt zijn ons de temperatuur van de laatste decennia kunnen vertellen, laat staan die van eeuwen geleden.
- Ga naar hoofdpagina Klimaatfraude
-
Waarom we aan lagere temperaturen moeten gaan wennen
In navolging van de verwachting van NOAA dat we de komende maanden flink in gemiddelde temperatuur gaan dalen, vond ik op de site van IOD eenzelfde verwachting van fors lagere temperaturen voor de periode van December tot Februari. Dat wil zeggen blauwtinten zijn lager dan het gemiddelde voor die periode.
Zie hier die van NOAA.
Zoals ik vorige week vermelde (De strijd tussen het weer en global warming) zijn er diverse factoren die nu onvermijdelijk zullen leiden tot lagere temperaturen, het is alleen afwachten hoeveel lager.
- El Nino is afgelopen en we krijgen weer een El Nina
- De PDO keert terug van de warme naar zijn 30 jaar koele fase
- De zon komt nog steeds niet goed op gang met cyclus 24
- De komende zonnecycli lijken steeds meer als die tijdens het Maunder minimum te worden
El Nino
El Nino is snel aan het aftakelen sinds begin 2010 zoals eerder hier beschreven. De laatste update laat een ferme daling van Nino3.4 zien, en dat de globale oceaantemperatuur hier met enige vertraging achteraan holt.
Deze daling van de zeewatertemperatuur heeft altijd gevolgen voor de wereldwijde temperatuur. De pieken zijn duidelijk terug te vinden in de UAH grafiek, de temperatuurtopper 1998 was duidelijk een El NIno effect alsook 2009 - 2010. En we zien hier dat de atmosfeer inderdaad sinds de laatste maanden ook aan een snelle daling bezig is.
de PDO
Maar een veel belangrijker omslag die in de oceaan plaats heeft gevonden en die langduring van invloed zal blijven, is de reversal van de PDO (Pacific Decadal Oscillation). De PDO heeft een cyclus van 60 jaar, en de overwegend warme fase heeft de temperaturen de afgelopen 30 jaar mede omhoog gestuwd. Deze warmte is onterecht toegeschreven aan global warming.
Het is precies de periode vanaf 1979 waar alle statistieken op worden los gelaten, en die vele klimatologen alleen menen te kunnen verklaren middels AGW. Wel, dat feestje is nu voorbij en dat weet men ook drommels goed. Dat is ook de voornaamste reden dat we nu allerlei onderzoeken met onnatuurlijke voorspellingen zien die ik besproken heb in De strijd tussen het weer en global warming. De alarmisten zullen zich in allerlei bochten gaan wringen om deze afkoeling warm te praten. De PDO zal de komende 30 jaar voor een koelend effect op de atmosfeer zorgen.
Tijdens de koele fase van de PDO moesten we ons eind jaren '70 volgens de klimatologen voor gaan bereiden op de volgende ijstijd: 1974, NYT 1974, Scientists Ask Why World Climate Is Changing; Major Cooling May Be Ahead, Time magazine 1975, John Holdren in 1971, nu de Science Czar van Obama en vurig AGW aanhanger, hier een hele lijst van koud klimaatalarmisme, en de video clips in mijn Klimatologen voorzien nieuwe ijstijd binnen 200 jaar waarin Stephen Schneider optreedt en later ook ineens global warmer wordt.
Hieronder een overzicht van correlatie tussen de PDO en globale temperatuur.
De zon
En dan de zon, de verwachting in 2004 was dat SC23 door SC24 zou worden opgevolgd in 2007. Uiteindelijk werd het pas 2009 en met deze verschuiving werd ook de verwachtte intensiteit van SC24 flink naar beneden bijgesteld. Het maximum ging van 140 sunspots naar 80, en dit wordt waarschijnlijk nog lager.
SC24 komt nu nog steeds niet echt vlot. Na de start bleef het aantal zonnevlekken vanaf begin 2010 wat schommelen zonder omhoog te gaan, en ligt nu zo'n 20 punten achter op het schema. Dit zal NASA binnenkort nopen tot het weer verder verlagen van het verwachtte maximum.
de zonnecycli
Het is interessant om te kijken op de site van de 'layman's sunspot count'. Hier worden de zonnevlekken geteld op de manier zoals dit door de eeuwen heen gedaan is. Moderne technieken zijn nu in staat om meer kleinere vlekken te zien dan voorheen met een kijker het geval was, en zorgen voor een hogere telling in de hedendaagse opnames. We zien hier het volgende:
Het niveau en verloop van SC24 lijkt veel op dat van SC5 die begon in 1798, en dat was het begin van een aantal opeenvolgende cycli met zeer lage activiteit. Dit betreft het Dalton minimum, een periode met lage zonneactiviteit tijdens de kleine ijstijd.
Dat SC24 lijkt op SC5 is niet onverwacht daar het past in het patroon van bekende langere cycli van de zon, in dit geval de de Vries cycle van 200 a 210 jaar. Maar als we nu nog eens 200 jaar terug gaan komen we terecht in begin 1600, het koudste deel van de kleine ijstijd. Kijk hieronder voor het verloop van de solar cycles en daaronder de temperatuur.
De laag actieve cycli werden toen vanaf 1645 gevolgd door een periode van 70 jaar waarin er zo goed als geen zonnevlekken te zien waren (het Maunder minimum), en kijk naar het bijbehorende temperatuurverloop. De vraag is of dit komende decennia ook mogelijk is?
Prof. de Jager stelt "dat de 21st eeuw gekenmerkt zal worden door een langdurige periode van zeer geringe zonsactiviteit. We verwachten ook dat de 11-jaarlijkse periode, die dit jaar begonnen is zich te ontwikkelen, een verlaat en laag maximum aan zonsactiviteit zal tonen, de prelude op de komende periode van minieme zonsactiviteit."
In 'The Forthcoming Grand Minimum of Solar Activity' van de Jager en Duhau zien we het volgende. Na een lange actieve periode (Grand Maximum) die de laatste helft van de vorige eeuw heerste wordt nu een Grand Minimum verwacht van ruim honderd jaar, een langdurig zeer laag actieve zon.
Tot 2013 zit de zon nog in de transitie fase, het model gebaseerd op oscillaties in de zonnedynamo en de geomagnetische aa index laat zien dat een Grand Minimum voor de deur staat met als gevolg een lange periode met relatieve global cooling.
Na 1600 was er een Grand Minimum van 1620 tot 1724, normale osccillaties van 1724 tot 1924 en een Grand Maximum van 1924 tot 2009.
De huidige situatie kan vergeleken worden met die rond 1620 waarbij het Maunder minimum volgde op steeds zwakker wordende zonnecycli.
links Wat gaat de zon nu doen met ons klimaat De bevindingen en projecties van prof. Don Easterbrook
- Ga naar hoofdpagina Klimaatfraude
-
Geen global warming in Nederland volgens GISS data
Het KNMI komt al voordat Juli afgelopen is met het volgende bericht: "Het heftige weer was de keerzijde van de warmte die juli een plaats bezorgt bij de vijf warmste julimaanden sinds 1901. In De Bilt was de gemiddelde temperatuur ongeveer 19,8 graden, terwijl het langjarig gemiddelde 17,4 graden bedraagt. Daarmee was dit een zeer warme zomermaand. Ook juni was warm met 16,4 graden tegen 15,2 graden normaal maar juli was dus nog een stuk warmer."
Ik besloot eens te kijken bij GISS en pakte er de data van De Bilt vanaf 1881 (zie link links onderaan), en vond een aantal zeer verrassende feiten. Laten we eerst eens kijken naar de grafiek die GISS er zelf bij levert.
Het eerste wat je denkt is waar zit nu toch onze global warming. Er is niets anders te zien dan dat de gemiddelde temperatuur flink instortte met 3 C na 1950 en langzaam weer opkrabbelde naar hetzelfde niveau. Als klimatoloog zou ik meer energie steken in onderzoek naar de reden van deze snelle val in slechts 8 jaar tijd, dan de niet zichtbare abnormale opwarming.
Ik maakte van de GISS data zelf een grafiek met hierin ook de zomer- en winter temperaturen er bij.
Nu repte het KNMI dus over een 'zeer warme zomermaand' maar dit is niet wat we zien in de grafiek. In vergelijking met de periode 1881 tot 1947 hebben we nu een volkomen normale zomer, het is alleen zo dat we na 1947 50 jaar lang koudere zomers hebben gehad en de laatste jaren pas weer gewone zomers. Totaal niet bijzonders aan de hand hier.
Maar het wordt nog erger als ik in de data kijk. Het langjarig gemiddelde voor Juli is volgens het KNMI 17,4 graden, maar op basis van welke jaren doet men dit. Uit de jaren 1881 tot 2010 volgt volgens GISS 17,9 graden, dus een halve graad hoger. Daarna was ik verrast toen ik de global warming jaren pakte vanaf 1979 en bleek dat we dan zelfs lager uit komen en wel op 17,8 graden. Maar als ik 1881 tot 1947 neem kom ik maar liefst op 18,5 graad uit voor de Juli maanden, dus 1,1 graden hoger dan wat het KNMI noemt.
Het Juni gemiddelde is volgens het KNMI 15,2 graden, maar GISS zegt dat dit 16,2 graden moet zijn. En laten we afgelopen Mei dan ook even noemen, slechts 10,5 graden terwijl het gemiddelde 13,4 graden is.
Vervolgens onderzocht ik de claim van het KNMI dat "juli valt onder de vijf warmste julimaanden sinds 1901". Het lijstje dat ik vond vanaf 1881 is als volgt:
 1881: 20,2 | 1884: 20,3 1887: 19,8 | 1899: 19,9 1900: 20,4 | 1901: 20,7 1904: 20,2 | 1905: 19,8 1911: 20,6 | 1912: 20,3 1921: 20,3 | 1923: 20,6 1925: 20,3 | 1933: 19,9 1941: 21,2 | 1947: 20,8 1994: 21,4 | 1995: 20,1 2006: 22.3 | 2010: 19,8
Ten eerste is er het misleidende woordgebruik 'onder de vijf warmste' die het KNMI bezigt. Dit leidt tot een slinkse illusie die het KNMI het publiek voor houdt, want zo verstop je alle jaren met dezelfde temperatuur onder één waarde zoals de drie jaren met 20,3 graden en de twee met 20,6 graden en ook de 19,8 van dit jaar zien we twee keer eerder. Deze manipulatie zullen de meeste mensen niet in de gaten hebben.
Maar zelfs als we dit toepassen klopt de bewering van het KNMI niet, 2010 komt dan pas op een gedeelde elfde plaats (22,3 - 21,4 - 21,2 - 20,8 - 20,7 - 20,6 - 20,3 - 20,2 - 20,1 - 19,9 - 19,8) vanaf 1901. In de normale toetsing van een reeks nemen we de doublures natuurlijk ook mee en komt 2010 pas op de veertiende plaats vanaf 1901. Vanaf 1881 komt 2010 pas de achttiende plaats.
Daarnaast keek ik naar de zomertemperaturen (Jun-Aug). Het gemiddelde vanaf 1881 is 17,2 graden. Vervolgens nam ik het gemiddelde vanaf 1979 en dit blijkt notabene slechts 16,9 graden te zijn. Het is dus een vaststaand feit dat de zomerse temperatuur in de global warming era lager uit valt dan het gemiddelde vanaf 1881. De indoctrinatie aangaande de abnormale en extreem oplopende zomers is in werkelijkheid hier niet aanwezig.
De volgende stap is natuurlijk om te kijken naar de zomers van 1881 tot 1947, een periode van maar liefst 66 jaar en dat is twee maal zo lang als de global warming era. En let op, de gemiddelde zomertemperatuur in die 66 jaar bedroeg 17,7 graden.
Ik zeg het nogmaals 17,7 graden dat is dus 0,8 graden hoger dan het gemiddelde van de global warming era en zelfs hoger dan de global warming zelf. En het moeten nu juist de zomertemperaturen zijn die het meest door AGW worden opgestuwd, maar in werkelijkheid is hier totaal niets van te zien en waren de zomers na 1947 gemiddeld koeler.
Als laatste bekijken we de totaal jaarlijkse gemiddelde temperaturen. Vanaf 1881 is dit 9,8 graden. Tijdens de AGW era is dit 10,0 graden, maar als we wederom 1881 tot 1947 bekijken komen we ook uit op 10,0 graden. Dus ook in zijn totaliteit is er geen enkele global warming te vinden op basis van langjarige gemiddelden!
In de jaren tussen 1947 en 1979 bedroeg het gemiddelde slechts 9,2 graden.
Ik zet het even op een rijtje:
| zomer | jaarlijks | | 1881 - 2010 | 17,2 | 9,8 | | 1881 - 1947 | 17,7 | 10,0 | | 1948 - 1978 | 16,1 | 9,2 | | 1979 - 2010 | 16,9 | 10,0 |
Nu vraag ik in alle ernst, welke periode zien we het meeste afwijken van andere perioden. Ja, dat is dus 1948 tot 1978 vergeet niet dat klimatologen in de jaren '70 waarschuwden voor een nieuwe ijstijd.
Deze periode was een uitschieter naar beneden en wekt bij bepaalde groepen die niet al te ver terug (kunnen) kijken de illusie dat we nu in een extreem klimaat leven. De keiharde data vertelt echter dat we geen hogere temperaturen beleven dan de eerste helft van de vorige eeuw, en het toenmalige zomergemiddelde nog niet eens benaderd hebben.
Dit alles vinden we in de data van De Bilt, en geen instantie die hiervan beter van op de hoogte is dan het KNMI die de AGW hype echter stevig omarmt. De 'zeer warme zomermaand' van het KNMI is een farce.
En natuurlijk, we hebben hier slechts ons eigen De Bilt bekeken, maar bedenk dat we hier wel met een station te maken hebben met een lange aangesloten datareeks en in nagenoeg landelijke omgeving waar vele andere stations zuchten onder het UHI effect.
En nu valt het me te binnen dat we het onderzoek een nog bredere basis kunnen geven. We vergelijken nu 1881 tot 1947 met 1948 tot 2010, dan heb ik netjes een periode van 66 jaar en een van 62 jaar en de CO2 uitstoot is juist na de oorlog flink op gang gekomen. Dus 1948 is een veel beter startpunt dan de veelal gehanteerde 1979, dus hieruit zal global warming onmiskenbaar naar voren moeten komen.
Dus daar komt ie dan:
| zomer | jaarlijks | | 1881 - 1947 | 17,7 | 10,0 | | | | | 1948 - 2010 | 16,5 | 9,6 |
De GISS data laat zien dat we te maken hebben met een afkoeling in ons huidig Nederlands klimaat sinds 1948 van gemiddeld 0,4 C en de zomers zijn zelfs 1,2 C koeler, dat is simpelweg wat de data zegt.
Dus geen global warming te vinden in Nederland, maar slechts afkoeling!!!
- Ga naar hoofdpagina Klimaatfraude
-
De strijd tussen het weer en global warming
Enkele merkwaardige berichten afgelopen week in klimaatland laten weer de tegenstrijdigheden, vaag taalgebruik en eenzijdige benaderingen zien.
Eerst gaan we terug naar een onderzoek van Mike Lockwood uit 2007 besproken in 'No Sun link' to climate change. Hier wordt botweg beweerd dat de zon nu geen invloed heeft op het klimaat en dat er geen link bestaat met kosmische straling, maar merkwaardig genoeg wel in het verleden voor het industriële tijdperk. Welke hoogstaande logica hier achter zit wordt niet vermeld.
De bijgeleverde grafiek laat een keurig stijgende temperatuur vanaf 1975 zien ener bovende wisselende kosmische straling.
Ten eerste had hier de zonne-intensiteit ook bij moeten staan, maar hoe zit dat met die bijna rechtelijnige stijging van de temperatuur.
Ten eerste is dit een prachtig voorbeeld van manipulatie van data met grafieken. Beide zijn even hoog en zo wekt het de indruk dathet effect van de straling proportioneel met de temperatuur zou moeten zijn. Dit is natuurlijk onzin en volgt zeker niet uit de kosmoklimatologie. Zonnestraling isgewoon decomponent die de temperatuur bepaalt, en kosmische straling zorgt slechts voor rimpelingen. Bedenk dat de zon de aarde opwarmt vanaf -270 C tot gem. 18 C. De invloed van kosmische straling zal nog niet eens 1 C bedragen, dus de hoogte van de eerste grafiek moet enkele honderden malen naar beneden bijgesteld worden als je op het oog een verband zou willen constateren. En het zal duidelijk zijn dat dit op die manier niet gaat lukken.
Maar laten we nu eens kijken wat de officiële temperatuurtrend van UAH laat zie.
Die begint een paar jaar later, maar waar is die mooie rechte lijn nu toch gebleven? Klaarblijkelijk is er in de grafiek van de Royal Society heel wat gladgestreken, toch wel beschamend voor een instituut met een hoogstaande wetenschappelijke reputatie opgebouwd onder leiding van kopstukken als Newton, Kelvin, Rayleigh, Thomson en Rutherford.
Na afgelopen winter met veel sneeuw hier in Europa gaat Mike Lockwood weer op onderzoek uit en lezen we de volgende openbaring in april 2010 in Sun blamed for Europe’s colder winters.
Het is een mirakel, Lockwood zegt nu dat er wel verband is met de zon. Maar let op dit geldt alleen in de winter en alleen voor Europa (gebaseerd op de UK), en ondanks die onhoudbare global warming krijgen we nog meer koude winters. Het is toch logisch dat de gloeiend hete zon van 5500C de boel niet kan opwarmen, het enige effect is afkoeling en alleen in de winter natuurlijk anders klinkt het niet logisch meer.
Dan wijst Lockwood ook nog even op lage temperaturen tijdens de kleine ijstijd in de 17e en 18e eeuw, waarin er nagenoeg geen zonnevlekken waren. Dit is een van de periodes die zijn collega's juist weg proberen te filosoferen met de hockeystick. Foei toch Lockwood.
Uiteindelijk meent Lockwood dat de wintertemperaturen een halve graad lager worden bij lage zonneactiviteit. Ik vraag mij dan af waarom we in de zomer geen dalende temperaturen gaan zien aangezien wemet een en dezelfde zon te maken hebben, en volgens de AGW hypothese moet minder zonnestraling ook nog eens minder broeikaseffect betekenen.
Dus meer kou en sneeuw de komende jaren? Laten we even 10 jaar terug gaan, een klein stapje voor de klimatoloog die het klimaat 100 jaar vooruit kan voorspellen. Het stuk heet Snowfalls are now just a thing of the past.
- Britain's winter ends tomorrow with further indications of a striking environmental change: snow is starting to disappear from our lives.
- The warming is so far manifesting itself more in winters which are less cold than in much hotter summers. According to Dr David Viner, a senior research scientist at the climatic research unit (CRU) of the University of East Anglia,within a few years winter snowfall will become "a very rare and exciting event". "Children just aren't going to know what snow is," he said.
- The effects of snow-free winter in Britain are already becoming apparent
- Warmer winters have significant environmental and economic implications, and a wide range of research indicates that pests and plant diseases, usually killed back by sharp frosts, are likely to flourish.
- Professor Jarich Oosten, an anthropologist at the University of Leiden in the Netherlands, says that even if we no longer see snow, it will remain culturally important.
- David Parker, at the Hadley Centre for Climate Prediction and Research in Berkshire, says ultimately, British children could have only virtual experience of snow. Via the internet, they might wonder at polar scenes - or eventually "feel" virtual cold.
Dat was dus een radicaal andere voorspelling van niets minder dan de climategate broederschap van CRU East Anglia en het Hadley Centre. Het instituut waar de IPCC alle data van ontvangt. Er wordt zelfs gesteld dat het juist in de winter warmer wordt en niet in de zomer, en er is een groot scala aan wetenschappelijke onderzoeken gedaan naar milieu- en economische effecten van warmere winters waaruit blijkt dat allerlei ziekten ons staan te wachten. Tjonge, dat zijn nu dus 10 jaar later allemaal nutteloze en foute klimaatonderzoeken gebleken.
En dan komt deze week midden in de zomer het volgende Converging Weather Patterns Caused Last Winter's Huge Snows in U.S. Nadat Lockwood de zon de schuld gaf van afgelopen winter in Europa, hebben Amerikaanse onderzoekers de schuldige van de pakken sneeuw in Noord Amerika gevonden in El Nino en de NOA. En o nee het heeft allemaal niets te maken met 'klimaatverandering' wat zij daar ook onder mogen verstaan, want dat is dus het heikele punt.
Warmterecords etc. worden altijd toegeschreven aan klimaatverandering, maar voor koude perioden moet blijkbaar een andere boosdoener worden aangewezen. Waarom worden er geen studies gedaan naar de specifieke oorzaak van een lokale hittegolf? Warmte een droogte rond de Pacific komt ook door diezelfde El Nino, en waarom is dat wel klimaatverandering? Kortom waarom valt kou slechts onder lokale weersomstandigheden en warmte altijd onder klimaatverandering?
Kijk eens wat klimaatwetenschapper David Robinson hier aan het einde zegt "When the public experiences abnormal weather, they want to know what's causing it," he said. "This paper explains what happened, and why global warming was not really involved. It helps build credibility in climate science."
Wat moet je met zo'n vage opmerking? Alhoewel de opwarming volgens de alarmisten 'abnormaal' is, is volgens Robinson een strengere winter ineens ook abnormaal terwijl dit alles de gemiddelde temperatuur volgens mij toch juist richting 'normaal' brengt. Global warming speelde volgens Robinson hier geen rol, maar de logica van deze bewering ontgaat mij volkomen anders dan dat het woord 'warming' je inderdaad niet doet denken aan kou.
Hoeveel onderzoeken en halfslachtige conclusies je ook verzint, het staat als een paal boven water dat lagere wintertemperaturen zorgen voor een gemiddeld lagere temperatuur over het jaar en afbuiging van een stijging. Het weer per dag vormt de basis voor het klimaat op enige termijn. En waarom worden de lage wintertemperaturen eigenlijk als slecht bejegend door de alarmisten, terwijl zij er juist alles aan willen doen om de temperatuur naar beneden te krijgen?
En dan zag ik afgelopen week nog het stuk Wacky Weather Could Squeeze Florida's Citrus Season. Hierin wordt gesteld dat ook de winters in Florida 'meer extreem' worden, met meer vorst en lagere temperaturen. Maar natuurlijk ook warmere zomers.
"The weather in Florida has been getting wacky," said Betsy Von Holle, the assistant professor of Biology who led the study." "There is a desperate need for more modeling on climate change to be conducted at the regional level and in tropical and subtropical regions".
En zo kunnen we legio van deze verhalen vinden. Overal koudere winters maar die hebben vreemd genoeg nooit iets te maken met klimaatverandering. Alhoewel de globale wintertemperaturen dus gaan dalen worden ze allemaal op regionaal niveau bestudeerd en vinden de klimatologen altijd weer een drogreden om dit niet van invloed op het klimaat te bestempelen en te benoemen als abnormaal of extreem. Aan de warme kant van het spectrum is het echter allemaal klimaatverandering door global warming.
Ook blijft men daarbij volhouden dat de zomers steeds warmer gaan worden. Er is echter nergens een verklaring hiervoor te vinden die in de global warming hypothese past. Het is simpelweg meer CO2 zorgt voor hogere temperaturen, en er is geen clausule die beweert dat bij wintertemperaturen het omgekeerde gebeurt. Het is simpelweg de zoveelste falsifieering van AGW.
Het is sowieso niet logisch. De grote energie-inhoud van de oceanen is de buffer die de ups en downs tempert. Als de oceaan s'zomers meer energie ontvangt betekent dit dat ze in de winter meer warmte kan afstaan en de afkoeling dempen. Daarom bestaat er een bepaalde bandbreedte tussen zomer en winter temperaturen. Alhoewel dit in mindere mate bestaat voor een echt landklimaat, is dit zeker wel het geval in de besproken situatie in de UK en Amerikaanse kustgebieden.
Ondertussen wordt er zo weinig mogelijk aandacht geschoken aan de huidige koude winters overal op het zuidelijk halfrond (Zuid Afrika, Zuid Amerika en Australië), maar dit heeft natuurlijk dan ook vast niets met klimaatverandering te maken. Maar het is duidelijk dat we inderdaad nu te maken hebben met koudere winters dan voorheen voorspeld, of we ook te maken krijgen met nog warmere zomers blijft afwachten. Aangezien UAH Juni gedaald is naar 0,44, El Nino op zijn retour is, de PDO om is geslagen naar zijn 30 jarige koele fase, de zon nog steeds in rust isgaat dit niet gebeuren.Wat er wel gaat gebeurenis watNOAAlaat zien, een flinke temperatuurdaling.
- Ga naar hoofdpagina Klimaatfraude
-
Zonnevariaties verklaren groot deel van de opwarming
In een publicatie in de Journal of Atmospheric and Solar-Terrestrial Physics komen Prof. Cees de Jager en Bas van Geel tot de conclusie dat variaties in zonsactiviteit in 1999 een positieve fluctuatie van 0,3C opleverde. Dit ten opzichte van de gemiddelde temperatuur over de laatste 200 jaar.
Maar opmerkelijk is daarnaast dat er in 1960 juist nog een negatieve fluctuatie van 0,2C was, een opwarmingsbijdrage van 0,5C in 39 jaar tijd.
Zie dat rond 1979 welke door klimaatonderzoekers als startpunt van de temperatuur-anomalie wordt genomen, de fluctuatie net een fractie onder het nulpunt in deze grafiek ligt. De fluctuatie tussen 1979 en 1999 is dus ruim 0,3C.
Laten we nu eens kijken naar wat UHA laat zien.
Van 1979 tot 1999 vlak na het El Nino topjaar 1998, zie ik een gemeten opwarming van circa 0,35C die volgens de experts allemaal te wijten is aan CO2. Maar als we dit met grafiek 1 verrekenen blijft er nagenoeg niets van over.
De onderzoekers keken niet alleen naar veranderingen in het equatoriale veld welke samenhangt met de zichtbare zonnevlekken, maar ook naar het polair magnetisch veld dat de meeste onderzoekers niet in acht nemen. Zij hebben als eersten de samenhang tussen de aardse grondtemperatuur en beide magnetische variaties op de zon onderzocht. Andere onderzoekers hadden slechts aandacht voor de variaties achter de zichtbare zonnevlekken.
De reden dat klimaatonderzoekers de invloed van zonsveranderingen op de temperatuur niet significant bestempelen ligt dus ten eerste bij het zich ten onrechte beperken tot slechts de equatoriale activiteit.
De tweede misser ligt bij het verwaarlozen van de positieve waterdamp feedback. Alhoewel de alarmisten dol zijn op de positieve feedback van waterdamp die door temperatuurstijging t.g.v. CO2 de temperaturen flink moet laten stijgen, is men deze feedback totaal "vergeten" mee te nemen bij de wisselende zonsactiviteit.
De Jager zegt: "Waterdamp heeft een sterkepositieve terugkoppeling, die ruwweg tot een verdubbeling van de initiële temperatuurverhoging leidt. Deze terugkoppeling wordtdoor veel onderzoekers veronachtzaamd en dat verklaart waarom de invloed van dezon op het klimaat doorgaansinsignificant wordt genoemd."
- Ga naar hoofdpagina Klimaatfraude
-
Entropie, de tweede hoofdwet van de thermodynamica - 1
In diverse blogposts hier is de tweede hoofdwet van de thermodynamica ter sprake gekomen en dit zal zeker vaker gebeuren aangezien ze het verloop bepaalt van thermodynamische processen zoals ook het weer en klimaat, alsook die van (bio)chemische processen. Ook de ontwikkeling van het universum ontkomt niet aan de tweede hoodwet. Zijn reikwijdte is dus inmens, en toch is de wet en/of zijn implicaties onvoldoende bekend.
Het is niet mogelijk om de wet in een paar zinnen echt begrijpelijk te maken, en vergelijkingen met alledaagse voorbeelden en woordgebruik leiden veelal tot verkeerde interpretaties en conclusies van deze wet. Tot op heden heb ik volstaan met enkele externe links. Dit doet het onderwerp geen recht daar het aan de basis ligt van veel natuurprocessen, het is wat natuurprocessen richting en doel geeft in ons universum. Het is onvermijdelijk om hier op het bestaan, oorzaak en gevolgen van de tweede hoofdwet in te gaan om meer onduidelijkheid te voorkomen, bronnen als Wikipedia geven wel een handvat maar de informatie is te versnipperd en onvolledig.
De tweede hoofdwet is synoniem met entropie
De tweede hoofwet van de thermodynamica kent een aantal formuleringen in woorden van de manifestatie die voort komt uit de werking van de natuurkundige grootheid entropie. Entropie is een grootheid (symbool = S) net als bijvoorbeeld temperatuur en energie en heeft dus gewoon een bijbehorende eenheid J/K (Joule/Kelvin). Entropieverandering is niet zichtbaar of tastbaar, maar je kunt het wel meten. De entropieverandering bij bijvoorbeeld het smelten van ijs is gelijk aan de uitgewisselde warmte gedeeld door de temperatuur (in Kelvin)
De entropie van een gesloten systeem kan alleen maar toenemen of gelijk blijven, maar nooit afnemen. Een gesloten systeem is een zeker volume waarin geen uitwisseling van energie of materie met de de omgeving plaats vindt. De entropie in een open systeem kan wel afnemen, maar alleen dan als de entropie van de omgeving minstens zo veel toeneemt. De entropie van het universum neemt vanaf de oerknal continu toe en zal dit ook blijven doen (1865, Clausius: De entropie van het heelal neigt naar een maximum).
De entropieverandering bij een spontaan proces moet dus altijd positief zijn. Spontaan is de richting waarin een proces van nature verloopt.
Vaak wordt bij pogingen om deze uitermate belangrijke wet even simpel en snel uit te leggen gesteld dat entropie een maat is voor 'wanorde' of 'chaos'. Maar hiermee wordt een grove fout begaan, want deze beide termen die een zekere betekenis hebben in onze alledaagse macroscopische wereld zeggen helemaal niets over de natuur van entropie. Het zorgt juist voor verkeerde ideeën en conclusies. De tweede hoofdwet resulteert namelijk net zo goed in toestanden die wij juist als ordelijk beschouwen. Om entropie echt te kunnen begrijpen moeten we afdalen naar de microscopische verschijnselen die plaats vinden op atomaire schaal.
Wees beducht voor veel artikelen en websites die de tweede hoofdwet niet (willen) begrijpen en entropie onjuist gebruiken en verkeerde conclusies trekken, omdat de oorzaak van de werking onvoldoende bekend is en/of begrepen wordt. Meestal volgen de (opzettelijk) foute redenaties door entropie in het betoog al snel te vervangen door de woorden wanorde en/of chaos. Veelal sites van religieuze aard menen met entropie in de hand het bewijs tegen evolutie te hebben, maar niets is minder waar.
De tweede hoofdwet oefent zijn invloed uit op alle schalen in het gehele universum, en kan niet geschonden worden vanaf de ultra grote schaal van de astrofysica tot de processen op onze kleine aardbol.
De werking van de tweede hoofdwet
Menigeen die kennis van de wet heeft genomen blijft hem moeilijk en/of onbegrijpelijk vinden. Dit heeft m.i. te maken met het feit dat veelal direct wordt begonnen met het uitleggen en toepassen van de wet binnen thermodynamische vraagstukken zonder dat echt wordt ingegaan op de werkelijke oorzaak van de werking.
Vele anderen hebben met de werking van de wet te maken gehad op het middelbaar onderwijs zonder het te weten. De tweede wet is namelijk de reden dat bijvoorbeeld:
- Energie zich verplaatst van hoge naar lagere temperatuur
- Energie tendeert naar verspreiding
- Dat systemen schijnen te streven naar het laagste energie niveau
- Dat systemen streven naar de laagst mogelijke druk
- Veel chemische reacties niet aflopen maar een evenwicht bereiken
- We een richting van de tijdpijl kennen
De basiswetten van de natuur zijn per defenitie omkeerbaar (reversibel), d.w.z. ze hebben geen voorkeursrichting en aldus zouden ze tijdssymmetrisch moeten zijn. Als we bijvoorbeeld kijken naar de eerste hoofdwet zegt deze alleen maar dat energie behouden moet blijven. Tussen twee systemen mag energie dan dus onbeperkt en willekeurig heen en weer stromen enmogen de systemen spontaan ineens warmer en dan weer eens kouder worden of gewoon helemaal geen warmte uitwisselen ook al bestaat er een temperatuurverschil. Toch zien we dit nooit gebeuren, en het zou allerlei processen totaal onvoorspelbaar maken.
Hoe gek het mag lijken, de realiteit is dat volgens de natuurwetten het in principe volkomen normaal is als water uit een omgevallen glas zich op een gegeven moment spontaan uit de vloer weer omhoog werkt, allemaal terug vloeit in het glas en het glas weer rechtop springt. Als dit zou gebeuren zou het gewoon een reversibel proces zijn zoals de natuurwetten op zich gewoon toestaan. De enige reden dat we dergelijke dingen niet zien gebeuren is de werking van de tweede hoofdwet die richting aan de natuur(wetten) geeft en ze irreversibel maakt, en daarmee ook het meest fundamentele is dat ons het besef van de richting in de tijd geeft. De tweede hoofdwet behelst een fundamentele dissymmetrie van de natuur.
In een universum zonder werking van de tweede hoofdwet is het normaal dat:
- Voorwerpen spontaan warmer worden onder afkoeling van de omgeving
- Ijs in een glas water niet smelt
- en bal spontaan van de vloer omhoog springt
Om het bestaan van entropie vanaf de basis duidelijk te maken, gaan we de 'oorzaak' van de tweede wet en zijn diverse uitwerkingen en implicaties zoeken op microscopische schaal.
De atomaire wereld
Om te kunnen begrijpen wat de oorzaak van genoemde verschijnselen is duiken we in de wereld van het atoom. We gebruiken een simpel model van 900 atomen. Te weten syteem 1 met 40 rode en 60 witte atomen, en systeem 2 met 800 witte atomen. De witte atomen bezitten geen energie (absoluut nulpunt). Rode atomen bezitten energie als warmtebeweging, en we spreken af dat dit voor elk rood atoom gelijk is en dat het de minimaal mogelijke hoeveelheid is.
Systeem 1 kunnen we voorstellen als een blok ijzer dat we juist in (thermisch) contact hebben gebracht met het ijzer-systeem 2. De rode atomen trillen en botsen tegen de naburige atomen en kunnen daarbij hun energie afgeven en zelf uitdoven (wit worden) waarbij het aangeslagen witte atoom rood wordt. Zo zal de 'roodheid' van energie zich snel maar ook doelloos door beide systemen verplaatsen, en dit betekent tevens dat energie zich zich van systeem 1 naar systeem 2 verplaatst. Na verloop van tijd ziet de ondelinge verdeling er het meest waarschjnlijk ongeveer uit als de volgende figuur, waarbij de exacte posities niet bekend zijn en continu veranderen.
Wat er hier plaats heeft gevonden is wat we allemaal kennen, systeem 2 is verwarmd door systeem 1. Maar wat is de eindtoestand? Op atomaire schaal is die er niet, het verplaatsen van de energie door de systemen gaat eindeloos en doelloos door. Maar voor een waarnemer met een thermometer is die er wel, op een gegeven moment is de temperatuur in beide systemen a: gelijk en b: verandert niet meer. Op dit punt is namelijk de verhouding rood / wit in beide systemen gelijk, ook al veranderen de posities continu.
De botsingen verplaatsen de energie willekeurig en zorgen voor energieverspreiding, maar als ze eenmaal homogeen over de beschikbare ruimte verdeeld is, blijft de onderlinge verdeling gelijk.
Er is een evenwicht ontstaan,het is een (thermo)dynamisch evenwicht en geen statisch evenwicht daar er wel continu veranderingen blijven optreden.
Temperatuur
We dus hebben gezien dat de temperatuur in systeem 1 en 2 gelijk is geworden, maar zie dat dit niet geldt voor de energie van beide systemen. Er zit nu meer energie in systeem 2 dan in systeem 1. We weten uit ervaring dat energie tussen twee systemen van nature van hoge naar lage temperatuur beweegt en uiteindelijk een gelijke eindtemperatuur bereikt, maar dit betekent dus niet gelijke energieën. Bovendien blijft de energie zich continu verplaatsen al kunnen we dit aan de temperatuur niet zien.
Een systeem kan een relatief lage temperatuur hebben maar wel heel veel energie bezitten, bijvoorbeeld onze oceaan. Energie hangt o.a. van de omvang van een systeem af (aantal deeltjes), maar temperatuur niet. In de buitenste luchtlagen van onze atmosfeer loopt de temperatuur op tot 800C, maar je zou hier niet veel van merken omdat de lucht er zo ontzettend ijl is en de energiedichtheid erg laag.
Temperatuur is dus afhankelijk van de verhouding rood / wit. Concreet is er gevonden dat Temperatuur = C / ln × (rood/wit) , waarin C een constante is die afhankelijk is van de hoeveelheid energie en massa van de rode atomen.
Ludwig Boltzmann
Nu gaan we op atomaire schaal kijken wat entropie inhoudt, en daarvoor duiken we in de statistische thermodynamica hetgeen inhoudt dat we gaan kijken wat er gebeurt op de moleculaire schaal hetgeen de oorzaak is van wat we zien op onze menselijke macroscopische schaal.
De basis hiervan werd gelegd door Ludwig Boltzmann. Boltzmann zocht de oorzaak van de thermodynamische processen in het gedrag van atomen, op zich al gedurfd omdat het idee van het bestaan van atomen nog niet eens geaccepteerd was.
Het bestaan van warmte(energie) komt voort uit de beweging van atomen ofwel hun kinetische energie, en ze is afhankelijk van de hoeveelheid atomen. (Temperatuur is een maat voor de gemiddelde snelheid van de atomen en is onafhankelijk van de hoeveelheid.)
Entropieverandering tijdens faseverandering
We nemen nu smeltend ijs als voorbeeld om de entropieverandering van een spontaan proces te onderzoeken, kenmerkend bij smelten is het feit dat de temperatuur constant blijft terwijl warmte wordt opgenomen. De eerder genoemde formule ΔS = ΔQ / T voor het bepalen van de entropie is hier bij uitstek toepasbaar. Beschouw onderstaand systeem met 6 moleculen water als ijskristal en nog 19 omringende atomen vloeibaar water. De ijsmoleculen trillen in hun vaste kristalrooster en kunnen geen andere posities innemen. Maar nu gaan we warmte toegvoegen.  We beschouwen hier louter de 6 ijsmoleculen, diena smelten ineens uit veel nieuwe posities kunnen kiezen. Als 1 molecuul ijs overgaat in de vloeibare fase kan hij kiezen uit 20 nieuwe posities in de vloeibare omgeving. Als een tweede ijsmolecuul volgt kan deze uit 21 posities kiezen. Het totaal aantal combinaties die molecuul nr. 20 en 21 onderling kunnen innemen is 20 × 21/2 = 210. Dit is in te zien als molecuul één zich bijvoorbeeld links boven bevind en het andere afwisselend alle overige 20 posities kan innemen, vervolgens kan molecuul één een plaats opgeschoven zijn naar rechts en kan het andere weer op 20 verschillende posities staan enzovoort. Als we uiteindelijk op die manier alle mogelijkheden zo geteld hebben, hebben we in feite wel elke mogelijkheid dubbel geteld omdat bijvoorbeeld molecuul één op positie 5 en molecuul twee op positie 12 hetzelfde is als twee op 5 en één op 12. Dus halveren we de oorspronkelijke uitkomst van 420 en vinden we 210 mogelijkheden.
Als alle zes moleculen smelten, hebben deze voormalige ijsmoleculen 20 × 21/2 × 22/3 × 23/4 × 24/5 × 25/6 = 177100 nieuwe mogelijke posities ter beschikking gekregen. Dit is de statistische beschouwing van de mogelijkheden van een verzameling atomen.
Het is deze moleculaire beschouwing die de basis vormt van entropie. De continu bewegende moleculen vliegen razendsnel kriskras door het beschikbare systeem langs alle beschikbare posities. In de ons omringende lucht van 1 bar bij 20C botst elk molecuul een onvoorstelbare 2 miljard keer per seconde met een ander molecuul. Maar 1 mol lucht (is slechts 29 gram) bevat al 6 × 1023 moleculen, dus het aantal botsingen in een miniem volume is al astronomisch groot. Het voorbeeld met 25 moleculen betreft in het reële geval van een ijsklontje in een glas water ca 6 × 1024 moleculen, en dus zijn er een astronomisch aantal beschikbare posities.
Entropie is het gevolg van de onzichtbare continue verspreidingsdrang van atomen en moleculen en vormt de brug naar de macroscopische verschijnselen die wij ervaren. Bedenk dat als we van het beschouwde water/ijs systeem de massa of temperatuur zouden bepalen tijdens het smeltproces, we continu dezelfde waarden zullen vinden. Hieruit kunnen we niet concluderen wat er in dit systeem gebeurt.
Boltzmann vond uit de voorgaande statistische beschouwing als verband tussen entropie en de moleculaire realiseringsmogelijkheden het volgende:
S = k × ln W
S = de entropie k = de constante van Boltzmann (1,38×10-23 J/K) ln = de natuurlijke logaritme (grondtal e) W = aantal niet te onderscheiden realiseringsmogelijkheden (posities)
De entropie van het systeem is toegenomen door opname van warmte als energie.
Als water afkoelt tot ijs neemt de entropie dus af, dit lijkt in tegenspraak met het feit dat bij een spontaan natuurlijk proces de entropie toe moet nemen. Maar het water/ijs systeem is hier niet een gesloten systeem, er wordt warmte uitgewisseld met een ander systeem, zijn directe omgeving.
Bij bevriezen neemt de entropie van die omgeving meer toe dan dat de entropie van het water/ijs daalt. Dus vormen het water/ijs systeem plus zijn omgeving (systeem 2) waarmee warmte wordt uitgewisseld het gesloten systeem. Als je niet goed inziet wat de grenzen van het gesloten systeem zijn rol je in de valkuilen van de pseudo tweede hoofdwet verhaaltjes.
Entropie, energie en temperatuur
We gaan nog even verder in op de betekenis van W. Beschouw onderstaand gesloten systeem met daarin systeem 1 (100 rood) in systeem 2 (800 wit). Het is een vaste stof waarin de atomen niet van plaats veranderen, maar wel continu energie met elkaar uitwisselen.
De rode atomen dragen (warmte)energie, ze trillen incoherent en beziten elk evenveel energie. De witte atomen bezitten nul energie, maar we weten dat de trillende atomen energie aan elkaar kunnen overgeven door onderlinge botsingen. In dat geval wordt een naburig wit atoom rood en het oorspronkelijke rode zal dan wit moeten worden met energie nul, en dan is weer voldaan aan de eerste hoofdwet oftewel behoud van energie.
We hebben dus op elk tijdstip 100 rode en 800 witte atomen. De W van Boltzmann is nu het aantal verschillende patronen dat gemaakt kan worden zonder dat we de veranderingen kunnen zien, ook al meten we bijvoorbeeld temperatuur of druk.
Bovenstaande systeem 1 configuratie van rode moleculen is één enkele mogelijkheid die door verschuiven van moleculen binnen systeem 1 niet verandert, alles blijft rood. W is dan 1, en de entropie is nul omdat ln1 = 0. Systeem 1 is hier een perfect compacte verzameling van energie.
Als een rood molecuul zijn energie door geeft naar de witte zullen we dit merken, de temperatuur van systeem 1 zal gezakt zijn en van systeem 2 gestegen vanaf nul Kelvin. Maar nu is één van de 100 moleculen wit geworden, en we kunnen niet weten welke van de 100 het betreft. W van systeem 1 is dan 100 en de entropie = k × ln 100 = 4,61 × k
Als er nu nog een rode zijn energie afstaat aan een witte wordt W 100 × 99/2 is 4950. De entropie neemt toe tot 8,51 × k
We weten dat de temperatuur van systeem 2 hierdoor is toegenomen, maar ook de entropie hiervan is toegenomen. Oorspronkelijk was de entropie hier nul, het eerste rode molecuul kon op 800 posities terecht. De entropie is dan k × ln 800 = 6,68 × k. Met het tweede rode molecuul werd W = 800 × 799/2 = 319600 en de entropie 12,67 × k.
De entropie van systeem 2 stijgt dus sneller dan die van systeem 1, dit omdat systeem 2 groter is. Als er nu steeds weer een rood molecuul uit systeem 1 dooft, zien we grafisch het volgende.
De entropie van systeem 1 neemt geleidelijk toe tot een maximum en daalt daarna , systeem 2 neemt steeds toe omdat ze nog voldoende posities vrij heeft (700). Maar let nu op de totale entropie van 1 en 2. De maximale totale entropie van de twee systemen wordt bereikt bij 89 rode moleculen in systeem 2, dit is uiteraard het punt waarbij de verhouding rood/wit in beide systemen gelijk is, 89/800=0,11 en 11/100=0,11. Alle botsingen nadat dit punt bereikt is veranderen de verhoudingen niet meer, de entropie blijft maximaal met 89 rood.
Maar kijk eens, dit is ook het punt waar de temperatuur van beide systemen gelijk is geworden, er is thermisch evenwicht. Dat hadden we geconstateerd bij de beschouwing van het blok ijzer.
We hebben dus de link tussen entropie, energie en temperatuur gevonden:
Energie tendeert naar verspreiding en verplaatst zich van hoge naar lage temperatuur omdat de entropie dan kan toenemen en deze streeft naar een maximum. Nu weten we waarom:
- Energie zich verplaatst van hoge naar lagere temperatuur
- Energie tendeert naar verspreiding
- Systemen schijnen te streven naar het laagste energie niveau
Dan hebben we nogbelangrijke verschillen gezientussen temperatuur en energie. Temperatuur is een intensieve grootheid, we meten eenwaarde niet afhangt van de grootte of hoeveelheid materie in het systeem. Energie daarintegen is een extensieve grootheid, de waarde hangt altijd afvan de hoeveelheid materie in het systeem. Denk hier nog eens over na m.b.t. het 'meten' van global warming. Men meet slechts de plaatselijke intensieve temperatuur, maar dus zeker geen energie. Daarvoor moetende samenstelling (vochtigheid), druk en soortelijke warmte bekend zijn. En danwelk volume moet je gebruiken, m.a.w. wat is het systeem dat bij de temperatuur hoort? Hoe groot is hetvolumerond het meetpunt waarin de gemeten temperatuurgeldig is?Een onmogelijke opgave. Dit is het einde van deel 1, in deel 2 duiken we eerst in de historie van de tweede hoofdwet.
- Ga naar hoofdpagina Klimaatfraude
-
Poolijs smelt niet sneller door temperatuur van de atmosfeer
Het ijs op de Noordpool zit momenteel in de jaarlijkse fase van snelle afname. De AGW filosofie is dat hogere temperaturen in de atmosfeer zorgen voor meer en snellere afname van het zeeijs en aldus een indicatie voor global warming. Het wordt zelfs gebracht als een doemscenario voor het Noordelijk halfrond.
Maar hoe geloofwaardig is dit beeld bij nadere beschouwing? Wel, we zullen zien dat dit in tegenspraak is met de werkelijke gegevens en fysisch gezien niet kan kloppen en eigenlijk zelfs een beschamende afgang voor de AGW klimatologie is.
Eerst kijken we naar een bekend overzicht (grafiek 1)
We zien dat de omvang in Maart al begint af te nemen en weer toeneemt rond eind September. Dus is de vraagof de temperatuur van de atmosfeer op de Noordpool in Maart al boven de 0 graden Celsius gestegen is? Daarvoor kunnen we kijken op de volgende site naar de temperatuur boven de tachtigste breedtegraad. (grafiek 2)
De afname begon zoals we zagen half Maart dus rond dag 80. We zien in de DMI grafiek dat de temperatuur van de atmosfeer dan gemiddeld echter slechts 244 Kelvin bedraagt, en dit is dus 29C onder nul. De temperatuur is pas nu eind Juni net boven de 0 uit gekomen. Maar dit is een fysische onmogelijkheidvoor de AGW smelthypothese, hoe kan het ijs gaan smelten bij 29 graden onder nul? Er zit hier duidelijk iets goed foutin de AGW visie, dus wat gebeurt er nu werkelijk en hoe kan het ijs in Maart al gaan smelten.
Belangrijk is om te zien en onthouden dat de temperatuur op meetpunthoogte nooit hoger komt dan 1 a 2 graden boven nul en ze duikt half Augustus alweer onder 0, dus slechts gedurende twee maanden is de temperatuur op twee meter hoogte een graadje boven nul (vlak boven het ijs niet zoals we zullen zien). En dit moet 9 miljoen vierkante kilometer ijs doen smelten? En dan hebben we het nog niet eens over het gigantische ijsvolume.
Om nader te beschouwen hoe het zit met de temperaturen bij het ijs kijken we naar een temperatuurprofiel dat als zodanig gemeten is door de onderzoeksgroep te Barrow in Alaska. We zien op de x-as de gemeten temperatuur in C en langs de y-as vervolgens zeewater vanaf 2,5 meter diep, de ijslaag en de lucht er boven tot een halve meter hoogte. (grafiek 3)
 We zien hier duidelijk welke factor de temperatuur bepaalt van zowel de atmosfeer als de grenslaag water, namelijk het vriespunt van het ijs (aangezien het zout zeewater betreft is de evenwichtstemperatuur aan de onderkant ca. -1,8C i.p.v. 0). Het ijs zelf houdt de luchtlaag er vlak boven continu op 0 graden zoals we al in de DMI grafiek zagen (daar iets hoger vanwege meetpunt op 2 m hoogte). De atmosfeer krijgt geen kans van betekenis om het ijs te verwarmen, en we gaan nu bekijken waarom dit zo is.
Het water aan de onderkant kan het ijs in zekere zin wel doen smelten vanwege zijn veel grotere massa, warmtecapaciteit en geleidbaarheid dan die van lucht. De mate van afsmelten is verder afhankelijk van stroming.
Maar waarom controleert het ijs de temperatuur, de reden is dat ijs bij verandering naar de vloeibare fase niet van temperatuur verandert en dat voor deze faseverandering heel veel energie vereist is. Om één liter ijs te laten smelten is net zoveel energie nodig om water van nul graden te verwarmen tot 80 graden Celsius, dus bijna net zoveel energie om het tot het kookpunt te brengen. Als de atmosfeer één liter ijs zou willen laten smelten is er maar liefst 260.000 liter lucht nodig van 1C die daarbij dan af zou koelen tot 0C. Daarna heeft deze enorme luchtmassa dan ook geen effect meer, alleen continue gigantische (warme) luchtverplaatsingen zouden het smeltproces weer enigzins op gang kunnen brengen.
Maar dit is nu juist het probleem, bedenk dat warmere lucht lichter is dan de koude lucht die vlak boven het ijs hangt en dus kan warmere lucht het ijs niet bereiken zonder dat deze koude grenslaag door extra krachten (turbulentie) geholpen wordt. Er is hier geen natuurlijke convectie mogelijk zoals bij het verdampingsproces van oceaanwater waarbij waterdamp automatisch stijgt door de dichtheidsverschillen door de atmosfeer. Nu is het omgekeerde het geval, de zwaartekracht belemmert het warmtetransport via warmerelichtere lucht naar het ijs.
Het maakt in dit opzicht dus ook niet uit hoe warm de atmosfeer verder boven de grenslaag is. Een hogere temperatuur van de omringende atmosfeer heeft geen effect op het ijs. De enige mogelijkheid is nog dat de luchtlagen warmte via geleiding kunnen uitwisselen, maar lucht is nu juist een uiterst belabberde geleider en eerder een isolator (denk aan de thermopane ramen).
En zo komen we tot een belangrijke conclusie die lijnrecht tegenover de AGW filosofie staat: de atmosfeer (koude lucht) boven het poolijs is een isolator die het smelten van ijs door de atmosfeer tegen gaat, mondiaal hogere temperaturen kunnen geen invloed uitoefenen op het poolijs. Dit is de reden dat we boven de tachtigste breedtegraad de gehele zomer een atmosfeertemperatuur zien die nagenoeg nul graden is, slechts horizontale luchtaanvoer kan de isolatielaag verstoren waarna ook deze snel tot nul afkoelt (1 op 260.000).
Na verloop van tijd vormen zich plassen smeltwater op het ijs, deze laag water isnogeen extraweerstandtegen een eventueleinvloed van de atmosfeer. Het bovenste laagje van het smeltwaterkan door de zon verder opgewarmdworden en zelfs zorgen voor een hogere temperatuur van de er boven liggende atmosfeer. Het smeltwater in contact met de ijslaag blijft nul graden. Een proces wat ook onder droge omstandigheden nog plaats kan vinden is sublimatie van ijs, waarbij het direct overgaat naar de gasvormige fase. Hierdoor wordt veel energie aan de lucht onttrokken, per liter ijs is bijvoorbeeld meer dan 2 miljoen liter lucht van 1C nodig.
Laten we eerst even wat gegevens verzamelen (tabel 1)
| zeewater | lucht | ijs | | | dichtheid (0 C) | 1026 | 1,293 | 917 | kg/m | | soortelijke warmte | 3930 | 1000 | 2200 | J/kg.K | | warmtegeleidingscoëfficiënt | 0,61 | 0,024 | 2,1 | W/m.K | | smeltwarmte | | | 334000 | J/kg | | sublimatiewarmte | | | 2830000 | J/kg | | | | | | totaal oppervlak max.
| | | 14,0*10^6
| km | | totale massa | 1,4*10^21 | 5,2*10^18 | 2,6*10^16 | kg | | totale energie | 1,6*10^27 | 9,7*10^23 | -8,7*10^21
| J | | | | | | | | | | |
Laten we nu eens kijken welke invloed het zeewater eventueel op het ijs kan uitoefenen in verhouding tot de atmosfeer. We zien dat de de soortelijke warmte van zeewater 4 maal zo groot is als die van lucht, maar aangezien lucht een veel lagere dichtheid heeft is het verschil in energie inhoud per liter zeewater 3930/1000*1026/1,293 = 3100 maal zo groot. De warmtegeleidbaarheidscoëfficiënt die aangeeft hoe goed het warmte geleidt is voor zeewater 25 maal zo hoog als die voor lucht, en daarnaast bezit de oceaan ook nog 1600 maal zoveel (warmte)energie als de totale atmosfeer.
Het is duidelijk dathet water enkele magnituden meer invloed op het ijs kan uitoefenen dan de lucht. Deenergieflux van de lucht is verwaarloosbaar t.o.v. die van het water.
Maar ook het zeewater is niet de factor die het smelten in gang zet, want de reden dat poolijs in de zomer smelt is zonne energie. In de eerste grafiek zagen we dat het ijs half Maart begint af te nemen, en dit is inderdaad het moment dat de zon er op komt. Zoals bekend is het op de pool de gehele winter donker, in Maart komt de zon op en blijft dag en nacht schijnen tot eind September. Dit is dan ook het moment dat we zien dat het smelten weer stopt.
Ijs neemt namelijk 30 tot 50 % van de zonne energie op, en dat is nu de energie die het ijs laat smelten. De cruciale factor bij het smeltproces is dat zonne energie iets kan wat andere de warmtebronnen niet kunnen, en dat is het ijs penetreren tot enkele meters diep. En dit is nu de reden dat aan het begin van het smeltseizoen het ijs al opwarmt tot het smeltpunt terwijl de atmosfeer nog in diepvriestoestand verkeert, dit hebben we in het begin bij grafiek 2 al gezien. De ijsomvang neemt al af terwijl de gemeten atmosfeertemperatuur nog min 29 graden is. Dewarmte(energie) van water of lucht kan het ijsdoor geleiding slechts aan het buitenste oppervlaktelaagje benaderen, en wordt dan ook nog eens gehinderd door een grenslaagje dat net zoals het ijs nul graden is. En er moet een temperatuurgradientaanwezigzijn om warmte te kunnen transporteren (Q=k*A*ΔT, dus een temperatuurverschiltussen de beide media). De stralingsenergie van de zon verwarmt de complete ijslaagdikte in één keer helemaal, en een temperatuurverschil met de omgeving is niet van belang en speelt geen rol. Straling is energieverplaatsing die alleen afhankelijk is van de bron, in dit geval de 5500C van de buitenkant van de zon (Q=σ*A*T4).
In de winter blijft het ijs aan de onderkant in evenwicht met het zeewater (-1,8C), aan de bovenkant kan het tot -40C afkoelen door uitstraling van energie naar de ruimte tijdens de lange duisternis. Dan komt in Maart de zon op en warmt het ijs op tot 0C waarna het gaat smelten terwijl de atmosfeer nog ver onder nul zit. En kijk eens wat er dan dus gebeurt, het ijs warmt de atmosfeer op van -29 naar 0. We hebben dan wel een systeem waarin natuurlijke convectie mogelijk is, koudere luchtlagen boven het ijs zakken naar de warmere lichtere laag op het ijs en worden opgewarmd.
Er vind dus in deze fase van Maart tot Juni opwarming van de atmosfeer plaats door het smelten van het ijs. Maar het betekent dus zelfs dat als er meer ijs ligt de opwarming van de atmosfeer ook sneller gaat, en uiteraard door meer zonneschijn/minder bewolking. Als de atmosfeer in Juni door het ijs opgewarmd is tot nul, stopt dit proces en blijft het op deze temperatuur om reden die we eerder besproken hebben.
Wat over blijft van de AGW smelthypothese is niets, we constateren dat de fysica voor het grootste gedeelte van het smeltseizoen juist het tegenovergestelde vertelt. Voor het overige deel is er slechts een status quo, waarbij het opgewarmd smeltwater is dat dan de atmosfeer enigzins op kan warmen. Het is dus altijd zo dat het eerder het ijsoppervlak is dat de atmosfeer opwarmt dan andersom.
Tijdens de periode dat de atmosfeertemperatuur wel boven nul ligt moet je het proces als volgt voorstellen. De zon stuurt een enorme hoeveelheid energie dwars door de gehele ijsmassa, dit komt niet als meetbare warmte vrij omdat gebruikt wordt om het ijs te doen smelten en tijdens smelten blijven het ijs en het smeltwater op nul graden en dit dwingt de er boven liggende atmosfeer om ook nul graden te blijven. De energiestroom van de zon die veel groter is dan de andere energiestromen buiten de ijsmassa domineert het proces en legt de temperatuur vast.
Om het smeltproces op zich beter te kunnen begrijpen moeten we kijken naar de entropieverandering die (zoals bij elk proces) het stuurmechanisme is. Zie ook hier.
We kijken nog even naar een grafiek van Barrow (grafiek 4)  Zij voorspellen het tijdstip waarop het ijs losbreekt aan de hand van de hoeveelheid zonne energie die het ijs ontvangt. Dit is het moment waarop ronde de 700 MJ/m ontvangen is, en dat is 'shortwave energy' dus alleen van de zon en (zoals we al beredeneerd hadden) zonder invloed van een temperatuur van de atmosfeer.
Aldus de eindconclusie : de zon bepaalt hoeveel ijs er smelt op de Noorpool. Dit is direct en indirect, naast de directe zonnestraling speelt ook mee hoe ver het ijspak afdrijft naar het zuiden en hoe gebroken ijsschotsen zich opstapelen onder invloed van stroming en wind die indirect ook door de zon geinduceerd worden.
Arctic summer
- Ga naar hoofdpagina Klimaatfraude
-
Afname zonnevlekken leidt tot meer orkanen
De AGW modellen staan er om bekend dat ze vertellen dat hogere temperaturen hebben geleid tot meer en krachtiger orkanen, zoals ook Al Gore in zijn propaganda verkondigt. Al eerder liet ik zien dat deze beweringen waar ook ons KNMI achter staat niet waar zijn.
Een nieuw onderzoek laat nu zelfs het omgekeerde zien, afname in zonnevleken (en dus minder zonnestraling) leiden volgens Hodges en Elsner tot meer orkanen. De kans op meer dan drie orkanen per seizoen gaat zelfs drastisch omhoog bij het minimum in de elfjarige zonnecyclus.
De zon probeert nu juist uit het laagste minimum van de laatste honderd jaar te klimmen. Jaren waarin weinig zonnevlekken vormen en de oceaantemperatuur hoog blijft (en dit komt ook door de zon) leiden tot een minder stabiele atmosfeer en grotere kans op orkanen.
Er is soms zelfs een zelfversterkend effect waarbij door bij minder zonnevlekken de energietoevoer naar de top van de atmosfeer lager is en daardoor de temperatuur boven de orkaan ook. Het grotere temperatuurverschil creëert nog meer instabiliteit en zwaardere orkanen.
Bij hoge aantallen zonnevlekken is er slechts 25% kans op ten minste één orkaan per jaar, terwijl dit 64% bedraagt bij lage aantallen zonnevlekken. De onderzoekers gebruikten data van 1851 tot 2008.
De variatie in de totale zonnestraling tijdens een zonnecyclus is slechts 0,15%, maar de variatie in het UV spectrum kan meer dan 10% bedragen en tot 16% in kort UV. De temperatuur in de ozonlaag varieert hierdoor sterk omdat Ozon UV-straling absorbeert. Bij hogere aantallen zonnevlekken ontvangt de atmosfeer meer UV-straling waarop de ozonlaag opwarmt en de atmosfeer en onder als gevolg ook.
UV-straling tot 240 nanometer zorgt bovendien voor de vorming van Ozon uit Zuurstof (O2 + uv 2 O, waarna O + O2 O3) waarbij warmte vrij komt.
Uit deze studie volgt tevens maar weer dat de stelling van het IPCC dat de 0,15% variatie in zonnestraling verwaarloosbaar is, ongegrond is. De variatie in de afzonderlijke componenten van het spectrum (UV, zichtbaar en IR) moet beschouwd worden om de invloeden te kunnen bepalen. Als bij lage totale intensiteit de UV fractie met 10% toeneemt zal het overige dus duidelijk met meer dan 0,15% af moeten nemen. En dan is er natuurlijk nog de kosmische factor.
De alom gehanteerde TSI (total solar irradiance) om de warmtebalans via het oppervlak van de aarde te berekenen is een te simpele benadering.
- Ga naar hoofdpagina Klimaatfraude
|
|