|
Statenvergadering 18 juni 2010 VOORJAARSNOTA Bijdrage Partij voor Zeeland Johan Robesin
De provincie Zeeland staat voor de invulling van de grootste bezuinigingsoperatie ooit en het is nog maar de vraag of het Rijk ons niet met nog meer kortingsmaatregelen gaat bezoeken. In de Voorjaarsnota benadrukt het college, dat terughoudendheid geboden is met het aangaan van nieuwe structurele verplichtingen. De Statenfractie Partij voor Zeeland deelt die intentie en vindt ook dat de bezuinigingsdoelen in gezamenlijkheid en volgens een strakke tijdsplanning moeten worden verwezenlijkt. Dat hoeft echter niet te betekenen dat we krampachtig discussiërend over de beperking van financiële armslag, krimp en vergrijzing naar de toekomst van deze mooie provincie moeten kijken. Vooral niet, zou ik zeggen. Het woord krimp zou eigenlijk per direct op sterk water moeten worden gezet en plaats moeten maken voor geloof en vertrouwen in de eigen dynamiek, het opsporen en in beeld brengen van nieuwe kansen en als ik dit zeg, bedoel ik niet de geijkte groene stokpaardjes. Dan bedoel ik nadrukkelijk nieuwe visies, onconventionele benaderingen, die de al veel te vaak besproken bedreigingen zover en zoveel mogelijk achter de horizon doen verdrijven. Visies, die politici en bestuurders ontwikkelen in nauwe samenspraak met ondernemers en ondernemingen in Zeeland, die ondanks de na-ijlende effecten van de crisis een sterk geloof en vertrouwen hebben in een Zeeuwse toekomst, die via welvaartvergroting in plaats van inkrimping en het bewust creëren van kleinschaligheid, leidt tot behoud en liever nog uitbreiding van ons welzijnsniveau. Immers, geen welzijn zonder welvaart. Met de bevolkingsaantallen van de verschillende regio's komt het dan vanzelf goed. Een excellente mogelijkheid om het welvaartsniveau in Zeeland te verbeteren schuilt mijns inziens in een gecombineerde uitbouw van haven en industrie. Die belangrijke elementen van onze provinciale economie liggen vandaag de dag in tegenstelling tot vroeger, heel dicht bij elkaar, zijn samen buitengewoon kansrijk, maar blijven vooralsnog teveel onderbelicht.
Voorzitter, In het recente debat over het lot van de Westerschelde Containerterminal, heb ik mijn twijfel geuit over de haalbaarheid van het project in het licht van de actuele situatie (het ontbreken van een exploitatiepartner). Maar wellicht, als ik voor mezelf mag spreken, heb ik in mijn schets van de situatie teveel sombere kleuren verwerkt. Dat is me nadien ook verweten. Toch had ik me zeer serieus en wekenlang in de zaak verdiept. De kritische reacties die ik kreeg waren voor mij in ieder geval aanleiding om nog dieper te spitten, aangespoord ook door opmerkingen van SGP- en VVD-collega's. Ik heb opnieuw onderzoek gedaan, gesprekken gevoerd en gegevens boven tafel gehaald. Nu via de insteek van productie en logistieke service en distributie en even niet via het gedrag van de grote rederijen in de containerindustrie. Die hebben immers ook en vooral een samenhang met productie- en distributieketens. Op dat vlak, zo blijkt, is sprake van een herbezinning.
Voorzitter, Zonder al teveel in details te treden geef ik u enkele conclusies, waarvan ik hoop dat die door het college worden opgepakt. Gedeputeerde Van Waveren heeft immers beloofd dat hij in december komt met een economische visie vanuit het college op de WCT-status. Zeeland heeft de potentie om zich te ontwikkelen tot een zeer concurrerend haven- en industrieel complex waarin de integrale opzet van productie en logistiek zal leiden tot duurzame supply chains voor producenten en verladers. Er is een krachtenbundeling nodig om in ieder geval nog in 2011 te komen tot verwezenlijking van substantiële intercontinentale container overslag capaciteit in Vlissingen-Oost. Het omzetten van grote, niet gedifferentieerde consumenten productenstromen naar gecompliceerde marktsituaties, is onmogelijk zonder substantiële container overslag infrastructuur. Uit rapporten over logistieke hotspots blijkt dat Zeeland letterlijk niet op de kaart staat. Dat geldt ook voor processen, waarin lange termijn beleid op het gebied van ruimtelijke ordening en bestemming voor Zuidwest Nederland, is samenhang met de Vlaamse havens, wordt ontwikkeld.
Voorzitter, Dat betekent dat alle betrokken partijen in Zeeland ook hier eerst en vooral de krachten moeten bundelen om de achterstand te overbruggen en daarenboven de voordelen van het werken in Zeeland over moeten brengen. De naamsbekendheid van Zeeland als industriële vestigingsplaats en havengebied is zeer gering. Dat blijkt het duidelijkst op internationale beurzen. Er moet dus een consistent en coherent informatie- en communicatieplan worden ontwikkeld en uitgevoerd om hier verandering in te brengen. Langs deze weg en met inzet van privaat-publieke samenwerking en middelen zou Zeeland gaandeweg en in verschillende fases toe kunnen groeien naar de schaal van containeroverslag, die we met de WCT wilden bereiken. Maar niet als doel op zich en binnen de kortst mogelijke termijn, maar via een duurzaam traject, dat Zeeland op de kaart kan zetten als een mondiale draaischijf voor logistieke distributie, die zijn weerga niet kent. Zeeland moet drie dingen doen: 1.vóór 1 januari 2013 één miljoen teu overslagcapaciteit realiseren; 2.definiëren welke stromen consumentenproducten voor Zeeland kansrijk zijn; 3.Zeeland bij internationale verladers en ketenregisseurs verkopen als de beste oplossing. Onze fractie beveelt deze benadering, die heel concreet valt te beluisteren bij het bedrijfsleven en diverse deskundigen op het gebied van product en service logistiek, logistiek en handel, van harte bij het college aan. Ik ben graag bereid een uitgebreider onderbouwing aan uw college ter beschikking te stellen. ■
Gedeputeerde Marten Wiersma (Economie) reageerde zeer positief op het betoog van Johan Robesin. Hij vond het "waardevol" om zijn zienswijze mee te nemen in het verdere WCT-proces.
|