Antwoord GS inzake Sloeweg

Provinciale Staten
statenstukken
Vragen van het statenlid F. Babijn (Partij voor Zeeland) ingevolge artikel 44 reglement van orde
AANHANGSEL
tot de notulen van de provinciale staten van Zeeland 2016 nummer 065.
Vragen ingevolge artikel 44 van het regle-ment van orde inzake AEC-bodemas in
relatie tot de aanleg van de Sloeweg
Antwoorden van gedeputeerde staten:
(ingekomen 7 maart 2016)
1.
Kan uw college bevestigen dat het conform vigerende regelgeving toege-staan is om AEC-bodemas bij de aan-leg van de Sloeweg toe te passen?
1.
Ja. Conform de huidige regelgeving is het toegestaan om AEC-bodemas toe te pas-sen als ophoogmateriaal.
2.
Kan uw college aangeven hoe het er nu voorstaat m.b.t. die genoemde
'mogelijke schadeclaim' van Heros Sluiskil aangaande de geschrapte af-name van AEC-bodemas?
2.
De Provincie heeft als opdrachtgever geen afspraken gemaakt met Heros ten aanzien van een afnameverplichting van AEC-
bodemas. Dat is een zaak tussen de aan-nemer en Heros. Wel volgen we het over-leg dat hierover plaatsvindt.
3.
Tevens willen wij van uw college
weten of en zo ja waar er binnen onze provincie Zeeland AEC-bodemas is of wordt toegepast en hoe andere provin-cies met het gebruik van AEC-
bodemas omgaan?
3.
Binnen de provincie Zeeland passen Rijks-waterstaat Zee & Delta, het waterschap Scheldestromen en de Provincie Zeeland AEC-bodemas niet toe als ophoogmiddel. Er is bij ons geen informatie bekend over andere provincies.
4.
Tot slot wil de Statenfractie van de PARTIJ VOOR ZEELAND (PVZ) van uw College vernemen waarom uw Col-lege terug is gekomen op een eerder genomen besluit om AEC-bodemas te gebruiken bij de aanleg van de Sloe-weg, terwijl het gebruik van AEC-
bodemas naar onze informatie in dit geval wel is toegestaan en waarom uw College daarmee willens en wetens een enorme budgetoverschrijding ver-oorzaakt en op de koop toe een scha-declaim riskeert?
4.
Er waren een aantal redenen om geen AEC-bodemas meer toe te passen. Op de eerste plaats heeft dit te maken met het aangepaste ontwerp. In juli 2015 hebben Provinciale Staten besloten om de aanslui-ting Sloeweg-Bernhardweg voorlopig te handhaven. Daardoor is veel minder
ophoogmateriaal nodig. De verwachting was dat er binnen het werk zelf voldoende zand beschikbaar zou zijn om als ophoog-middel te gebruiken. Uiteindelijk is er toch nog 90.000 m3 aangevoerd.
Daarnaast bleek dat de toekomstig beheer-der (Rijkswaterstaat Zee & Delta) ernstige bezwaren heeft tegen het toepassen van AEC-bodemas in de huidige vorm, hoewel het op grond van regelgeving is toege-staan. Deze bezwaren hebben te maken met beheerrisico's. Met het oog op een
gewenste financiële bijdrage en de ge-plande overdracht van de N62 aan Rijks-waterstaat hechten wij er waarde aan de opvatting van Rijkswaterstaat te respecte-ren.
2
Verder is vanaf januari 2014 de regelge-ving t.a.v. de toepassing van AEC-
bodemas aangepast. Hierdoor zijn de toe-passingsmogelijkheden van dit materiaal beperkter geworden. Tot slot heeft het
advies van het Task Force Team ons meer bewust gemaakt van de risico's die het ge-bruik van bodemas met zich mee brengt. Tegenover het financieel voordeel tijdens de aanleg staan risico's tijdens het beheer. Zo kan bv. bij een latere wegreconstructie materiaal vrijkomen wat op dat moment te-gen hoge kosten als afval zal moeten wor-den behandeld. Voor een uitgebreid over-zicht van mogelijke risico's t.a.v. het ge-bruik van AEC-bodemas verwijzen wij u naar bijlage 1 van de rapportage van het Task Force Team Sloeweg van 18 april 2015 (in kaart brengen van stand van
zaken project Sloeweg en verkenning van optimalisatiemogelijkheden).
MIDDELBURG, 5 april 2016
Namens de fractie van Partij voor Zeeland,
Gedeputeerde Staten,
F. Babijn
Drs. J.M.M. Polman
A.W. Smit

deel